Toen de angst wegvloeide, liet ze geen leegte achter – ze liet iets complexers en onverwacht kalms achter. Wat aanvankelijk aanvoelde als een vijandige aanwezigheid in mijn ruimte, veranderde in iets bijna fascinerends. Dit was geen wezen dat mijn omgeving met kwade bedoelingen binnendrong, maar eentje die zich rustig in een hoekje nestelde, geleid door instincten die helemaal niets met mij te maken hadden. De garage, die even onrustig had aangevoeld, werd langzaam weer vertrouwd, maar nu met een nieuw bewustzijn. Ik was er niet alleen, maar dat feit voelde niet langer bedreigend. Het voelde gedeeld.
Die nacht maakte ik een andere keuze dan ik eerder had verwacht. Ik liet het daar staan. Niet uit berusting, maar uit een soort aarzelend respect. De ruimte was fysiek niet veranderd, maar mijn begrip ervan wel. Wat eerst vreemd of gevaarlijk leek, bleek iets ingewikkelds en vreemd moois te zijn. Uiteindelijk voelde de garage niet minder van mij – hij voelde juist levendiger.