Op het eiland Marajó zorgde de ontdekking van een dode bultrugwalvis diep in de jungle voor grote verbazing en onrust onder de lokale bevolking. Een acht meter lang kalf werd ver van de kustlijn gevonden, tussen dichte begroeiing en wortels, op een plek waar een walvis nooit had mogen komen.
Aanvankelijk leek de situatie vrijwel onverklaarbaar. Omdat er geen duidelijke aanwijzingen waren over hoe het daar terechtgekomen was, interpreteerden sommige bewoners het als een vreemde of onheilspellende gebeurtenis, terwijl wetenschappers werden ingeschakeld om de zaak op een meer logische manier te onderzoeken.
Autoriteiten en onderzoekers begonnen samen te werken om te begrijpen wat er was gebeurd en vormden een speciaal team om de ongebruikelijke situatie te onderzoeken. Het doel was om speculatie van bewijs te scheiden en vast te stellen hoe een enorm zeedier zo ver landinwaarts terecht was gekomen.
De meest gangbare verklaring wees op natuurkrachten. Experts geloven dat een sterke vloedgolf of overstroming de jonge walvis waarschijnlijk vanuit de oceaan landinwaarts heeft gevoerd, waarna het water zich terugtrok en het dier in het bos achterliet.