DEEL 1
Ik werk al zes jaar in de neonatologie en ik kan je vertellen: ik heb alles al gezien.
Baby’s die om drie uur ‘s ochtends schreeuwen alsof ze geld schuldig zijn. Dokters die staand in slaap vallen. Verpleegkundigen die alleen kunnen functioneren op pure koffie en geloof.
Maar zoiets als Rosario had ik nog nooit eerder gezien.
Rosario heeft het syndroom van Down, is 42 jaar oud en draagt elke dag van het jaar een gele sjaal. Elke dag. In januari. In juli. Midden in een hittegolf. De gele sjaal is net zozeer een deel van haar als haar eigen longen.
Ze arriveert stipt om 15.00 uur – stipter dan welke dokter dan ook, echt waar – begroet de receptioniste met een kus, zegt: “Señorita Carla, u ziet er vandaag erg mooi uit” en gaat direct naar de kamer van de baby’s, die geen bezoek mogen ontvangen.
De baby’s die wachten om geadopteerd te worden. De baby’s van wie de moeders niet voor hen konden zorgen. De baby’s die helemaal alleen zijn.
Rosario vraagt toestemming, tilt ze op, wiegt ze en zingt een liedje voor ze dat ik nog steeds niet helemaal kan thuisbrengen. Iets tussen een cumbia, een slaapliedje en een telenovela uit de middag.
Op een dag vroeg ik haar: “Rosario, wat fluister je ze in het oor?”