Hoofdstuk 1: De koude dageraad en de gebroken vogel
Er heerst een diepe, heilige stilte die alleen om vier uur ‘s ochtends bestaat. Het is een uur dat uitsluitend toebehoort aan de vermoeiden, de rouwenden en degenen die bakken.

Ik stond in mijn schemerige keuken en mat bloem af zonder te kijken, vertrouwend op het spiergeheugen dat ik in veertig jaar had opgebouwd. Ik schaven koude, ongezouten boter in de keramische kom en mengde die met mijn vingertoppen door de bloem tot het mengsel precies aanvoelde als vochtig, grof zand. Mijn overleden echtgenoot zei altijd dat mijn koekjes naar geduld smaakten. Hij had gelijk. Geduld is niet zomaar wachten; het is de stille, methodische voorbereiding op wat komen gaat.