Mijn dochter, Maya, zat op handen en knieën op het met rijp bedekte hout.
Haar lange, donkere haar was verward en vervilt en hing als een gordijn over een gezicht dat ik bijna niet herkende. Ze was op brute, systematische wijze mishandeld. Haar onderlip was wijd opengescheurd, het bloed was al gestold en donker. Een angstaanjagende, gezwollen paarse halvemaan breidde zich snel uit onder haar rechteroog, waardoor het dichtgedrukt werd. Een van haar armen was strak om haar buik geslagen, haar ribben vastgrijpend alsof ze haar skelet bij elkaar hield. Haar ademhaling stokte in oppervlakkige, pijnlijke hijgen, en ze liet een laag, jammerend geluid horen dat mijn oren niet bereikte en rechtstreeks mijn ziel trof.
‘Maya,’ fluisterde ik, terwijl ik op mijn knieën zakte op het ijskoude hout.
Ik vroeg niet of het goed met haar ging. Een traumaverpleegkundige vraagt nooit aan een bloedende patiënt of het goed met hem of haar gaat. Ik schoof mijn armen onder haar schouders, trok een grimas toen ze het uitschreeuwde van de pijn, en droeg haar half, half slepend naar de warme keuken.