Boven legde een echtgenoot uit waarom zijn zwangere vrouw het avondeten had gemist.
Beneden was hij de man die me drie weken lang had laten verhongeren en mijn overleving afmat aan de vraag of de baby nog schopte.
Om de dag duwde hij een rotte appel door de tralies.
Hij heeft het me nooit stilletjes gegeven.
Hij keek toe.
Soms leunde hij tegen de kooi en wachtte tot de honger het laatste beetje waardigheid dat ik nog had, had overwonnen.
‘De baby heeft iets nodig,’ zei hij dan. ‘Ik wil het voelen bewegen.’
De wreedheid zat niet alleen in het voedsel.
Het zat hem in de manier waarop hij zich gedroeg, alsof het kind in mij meer van hem was dan mijn eigen lichaam.
Mijn gezicht was in die weken veranderd.
Eén oog bleef gezwollen.