Niet de afleveringen die de kranten eindeloos hadden ontleed en herhaald, maar oudere afleveringen.
De stillere exemplaren.
Het gelach van een vrouw. Warme handen die als kind door zijn haar streek. De geur van regen op droge aarde. Het gevoel gezien te worden – niet als iets gebroken, maar als iets heel.
Hij had die herinneringen zo diep weggestopt dat hij vergeten was dat ze bestonden.
Maar nu, kijkend naar zijn eigen spiegelbeeld, keerden ze terug.
Niet als spoken.
Als bewijs.
‘Ik ben niet altijd zo geweest,’ zei Elias.
De bewaker knikte langzaam. “De meeste mensen niet.”
Elias glimlachte zwakjes.
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik denk het niet.’
Hij volgde met zijn duim de rand van de spiegel.