Het begon als een volkomen gewone ochtend, zo’n rustige start die geen enkele aanwijzing gaf voor de chaos die zou volgen. De verteller voerde in een halfslaperig ritme de gebruikelijke handelingen uit: zich voorbereiden op het werk, koffie drinken en spullen pakken. Alles voelde routineus aan, totdat een klein, vreemd voorwerp buiten de aandacht trok. In eerste instantie leek het niets meer dan zwerfvuil. Misschien een losgeraakte plastic zak onder de auto, of een vergeten handdoek die iemand de avond ervoor op straat had laten vallen. Niets eraan wees op problemen. Het leek gewoon een irritatie die opgeruimd moest worden voordat de verteller wegreed.
Toch knaagde de nieuwsgierigheid aan hen. Het object had een eigenaardige vorm, niet helemaal plat, niet helemaal glad. Toen ze dichterbij kwamen, veranderde de vorm. Het bewoog zich langzaam en doelbewust voort, een beweging die niet overeenkwam met het fladderen van een tas in de wind. Een kortstondig gevoel van onrust golfde door hun borst. De geest probeert verrassingen als deze te rationaliseren, dus hun gedachten schoten alle kanten op naar een verklaring. Misschien was het een zwerfkat die zich voor de kou verstopte. Misschien was er een oud speeltje onder de auto gerold en lag het daar nu. Misschien was het gewoon een stok die scheef was komen te liggen toen de wind draaide. Elke mogelijkheid voelde zwak en ontoereikend, maar de geest klampte zich eraan vast in een poging de angst te verdrijven.
De beweging kwam opnieuw, dit keer duidelijker. Een zwaardere verschuiving. Een gevoel van zwaarte. Angst begon zich als een steen in hun maag te nestelen. Ondanks dat elk instinct hen aanspoorde om weg te lopen, voelden ze zich gedwongen te kijken, alsof de waarheid gezien moest worden. Met voorzichtige stappen en een groeiende brok in hun keel bogen ze zich voorover.
Op het moment dat hun ogen beseften wat er werkelijk was, sloeg hun instinct toe. Ze gilden, een rauw en geschrokken geluid dat uit hun lijf barstte voordat ze erover na konden denken. In plaats van een kat of een stuk afval, stonden ze oog in oog met een levende krokodil. Hij was klein genoeg om onder de auto te passen, maar groot genoeg om met zijn aanwezigheid angst in te boezemen. Zijn ogen glinsterden van koude alertheid, recht op hen gericht. Zijn staart bewoog zich langzaam en doelgericht heen en weer. De stille dreiging van het dier vulde de smalle ruimte onder de auto als een waarschuwing.