Er was eens een jonge vrouw genaamd Evelyn die nooit een klus half afmaakte. Als een zwerfhond een wondje aan zijn oor had, stond ze in de regen tot ze het in een schone doek had gewikkeld. Als het dak van haar buurman lekte, klom ze met spijkers in haar hand op de roestige ladder. Ze deed dit alles niet uit vriendelijkheid of om dank te ontvangen. Om haar heen was alles kapot.
Het was haar aard. Maar die avond voelde Evelyn zich zelf volledig gebroken. Ze stond midden in de enorme keuken van haar schoonmoeder, haar ogen gericht op een glanzend wit vel papier dat op het marmeren aanrecht lag. De keuken rook naar luxe vanillekaarsen en geroosterd vlees, maar de lucht was zo zwaar en heet dat Evelyn moeite had met ademhalen.
Met een droge keel klemde ze zich vast aan de zoom van haar verbleekte blauwe rok tot haar knokkels wit werden. Aan de andere kant van de toonbank stond Victoria, haar stiefmoeder. Victoria schreeuwde niet. In plaats daarvan sneed ze langzaam een stuk chocoladecake af met een zilveren vork, wat een schrapend geluid maakte. Ze keek Evelyn aan, haar blik koud en kalm.
Victoria legde uit dat als Evelyn de huwelijkspapieren niet vóór middernacht zou ondertekenen, de ziekenhuisbetalingen zouden worden stopgezet. Ze voegde eraan toe dat de privékamer van Evelyns grootmoeder zou worden afgesloten, haar beademingsapparatuur zou worden losgekoppeld en ze zou worden overgebracht naar een lawaaierig, overvol openbaar ziekenhuis waar niemand toezicht op haar zou houden.