De sirenes waren het eerste wat Farah zich nog helder herinnerde.
Niet precies het juiste uitgangsbord.
Niet de kilometerpaal.
Niet het nummer dat te zacht op de radio stond.
De sirenes.
Ze lagen ineengedoken in de pikzwarte nacht van Denver, scherp en metaalachtig, alsof iemand een metalen plaat achter haar hoofd verscheurde.
Ze reed in zuidelijke richting over Interstate 25 na een late dienst in het centrum, haar linkerhand aan het stuur en haar rechterhand om een papieren beker met koffie van het tankstation die allang koud was geworden voordat ze het aan zichzelf wilde toegeven.
De snelweg was glad door de oude smeltende sneeuw.
De kachel in haar Honda rook vaag naar verbrand stof.
De lucht was zo donker dat elke koplamp achter haar er in de achteruitkijkspiegel dun en wazig uitzag.
Farah was op de gebruikelijke manier moe.
De veilige manier.