Ik kookte terwijl hij me vanuit een stoel aanwijzingen gaf. We keken naar oude films. Ik las voor als zijn ogen moe werden.
Op de achtste nacht trof ik hem aan met een versleten roman tegen zijn borst gedrukt.
De omslag was onherkenbaar verbleekt.
‘Welk boek is dat?’ vroeg ik.
“Mijn favoriet.”
“Mag ik kijken?”
“Welk boek is dat?”
Hij drukte het boek als een schild tegen zijn borst.
“Nog niet.”
Ik plaagde hem omdat hij zo geheimzinnig was.
Hij glimlachte, maar gaf het niet af.
***
Carl overleed twee ochtenden later, met mijn hand onder de zijne.
Zijn laatste ademtocht kwam zo zachtjes dat ik het pas als een einde besefte toen het stil werd in de kamer.
Carl overleed twee ochtenden later, met mijn hand onder de zijne.
Bij de begrafenis waren minder dan twintig mensen aanwezig.
De meesten waren vrienden en oud-leerlingen van Carl. Een van hen had een papieren lunchzakje naast de kist achtergelaten. Een ander had een blauw vogelhuisje neergelegd.
Ik dacht dat ik een eenzame man tien dagen lang het gevoel had erbij te horen.
Ik begreep nog niet wat hij me had gegeven.
Ik dacht dat ik een eenzame man tien dagen lang het gevoel had erbij te horen.
***