De pijn begon niet als een plotselinge explosie; het was een langzaam, sluipend proces dat weken eerder was begonnen. Het was een doffe pijn, een zwaar, slepend gevoel diep in mijn buik dat ik aanvankelijk afdeed als stress of vermoeidheid. Maar die ochtend, terwijl ik op de parkeerplaats van de elegante cateringlocatie in Columbus stond, verscherpte de doffe pijn tot een scherpe, verstikkende kwelling. Het was een pijn die absolute overgave eiste, een gewelddadige draaiing onder mijn huid die me de adem benam en me op mijn knieƫn dwong. De wereld kantelde, het grind sneed in mijn handpalmen, voordat alles zwart werd.

Toen het bewustzijn langzaam terugkeerde, werd dat vergezeld door het felle, schurende licht van tl-lampen dat dwars door mijn oogleden sneed. Het ritmische, hectische geratel van een brancard die over het linoleum rolde, vulde mijn oren en vermengde zich met de dringende stemmen van de ambulancebroeders. Mijn maag, mijn ribben, mijn hele wezen ā het voelde alsof er iets was gescheurd, waardoor er vuur door mijn aderen stroomde. Elke oppervlakkige ademhaling was een enorme inspanning, een wanhopige snakken naar lucht die onmiddellijk werd bestraft met een nieuwe golf van verblindende pijn.