Even heel even lukte het me niet om het open te krijgen. Mijn vingers bleven op de verzegeling rusten en ik was terug in de ziekenkamer, met de dunne hand van mijn vader om de mijne geklemd. Hij rook vaag naar ontsmettingsmiddel en pepermuntthee. Zelfs vlak voor zijn dood had hij verpleegkundigen nog vriendelijk gecorrigeerd, iedereen bij naam bedankt en me gevraagd of ik wel genoeg sliep.
‘Ze weet precies welke knoppen ze moet indrukken, want ze heeft er zelf een aantal geïnstalleerd,’ had hij me verteld.
Ik probeerde te glimlachen. “Dat is somber, pap.”
“Dat klopt.”
Nu lag zijn handschrift in mijn handen.
Claire, staat er op de voorkant.
Niet de kolonel. Niet mevrouw Parker. Niet het kind dat hij niet op tijd had kunnen beschermen.
Alleen Claire.
Nora boog zich voorover. ‘Je hoeft het hier niet te lezen.’
Mijn moeder zei: “Ja, dat doet ze.”
Dat gaf de doorslag.
Ik opende het zakje.
Binnenin bevond zich een crèmekleurige envelop, een gevouwen brief en een klein messing sleuteltje dat met plakband aan een indexkaartje was bevestigd. Het sleuteltje was ouderwets, met een afgeronde boog en kleine cijfers in de steel gegraveerd.
Ik haalde de brief eruit en vouwde hem open.
Het handschrift van mijn vader was altijd nauwkeurig geweest, hoewel het tegen het einde begon te trillen.