De vrachtwagenchauffeur klauterde weer naar beneden en hurkte naast me neer.
Evans banden gilden over de natte weg. Zijn koplampen zwaaiden even door de bomen en verdwenen toen in de regen in de bergen.
Pas toen verbrijzelde die man de rest van mijn wereld.
‘Mijn naam is niet Bill Porter,’ zei hij. ‘En ik ben hier niet per ongeluk gestopt.’
Ik knipperde het bloed uit mijn wimpers.
Hij keek me aan met een medelijden dat geoefend aanvoelde.
‘Uw echtgenoot heeft mij drie jaar geleden ingehuurd,’ zei hij. ‘Voordat hij stierf. Om uit te zoeken of u van plan was hem te vermoorden.’
Even verdween de pijn in mijn been.
Niet omdat ik veilig was. Niet omdat ik sterker was dan het wrak dat me in die auto vastklemde. Het verdween omdat de zin te overweldigend was voor mijn lichaam om te verwerken.
Je man heeft me drie jaar geleden aangenomen.
Om erachter te komen of je van plan was hem te vermoorden.
Regenwater liep over mijn voorhoofd en in mijn ogen. Ik probeerde te praten, maar er kwam alleen een natte hoest uit. De man met de grijze baard reikte door de gekartelde voorruit en drukte een opgevouwen doek tegen de snee in mijn schouder.
‘Adem rustig in en uit,’ zei hij. ‘Je hebt gebroken ribben, misschien een geperforeerde long en je linkerbeen zit vast. Ik heb het al gemeld voordat ik hierheen kwam. De reddingsdienst is onderweg, maar we hebben misschien nog tien minuten voordat er iemand anders arriveert.’
‘Wie ben je?’ perste ik eruit.